Specialist Letselschade

In de begroting van toekomstschade is de norm: risicovrij rendement

Met haar uitspraak van 09 oktober 2019 zorgt Rechtbank Gelderland voor een doorbraak in de langdurige impasse binnen de letselschadepraktijk over de te hanteren rekenrente. Niét de in het verleden behaalde rendementen, niét de inmiddels achterhaalde eerdere uitspraken van rechters, maar de hedendaagse financiële realiteit wordt door de rechtbank als uitgangspunt genomen. (ECLI:NL:RBGEL:2019:4509)

Voor Rechtbank Gelderland staat voorop dat in de begroting van toekomstschade moet worden uitgegaan van risicoarme of risicovrije rendementen. Redelijke verwachtingen daarover baseert de rechtbank op feiten en op de door DNB gehanteerde langetermijnrente (UFR), die een zo goed mogelijke benadering vormt van de risicovrije rente die op lange termijn mag worden verwacht.

In mijn publicatie in het tijdschrift Verkeersrecht van juni 2018 heb ik betoogd dat controleerbare objectieve gegevens leidend dienen te zijn bij het vaststellen van de te hanteren rekenrente. Ook stel ik daar dat er in het werkveld behoefte bestaat aan een nieuwe objectieve norm. De recente uitspraak van de rechtbank is een belangrijke stap in die richting.

De rechtbank overweegt dat naar de huidige stand van zaken op korte termijn op een risicoarme of risicovrije inleg géén rendement wordt gehaald dat hoger is dan de inflatie. Voor de rechtbank is dit een feit. Vervolgens wordt door de rechtbank voor de lange termijn aansluiting gezocht bij de door DNB verwachte risicovrije rente op lange termijn. Daarmee geeft de rechtbank invulling aan een voor het begroten van toekomstschade fundamenteel uitgangspunt. Geldend recht is, dat de vergoeding voor toekomstige schade bepaald wordt aan de hand van informatie en verwachtingen die op het peilmoment bestaan. Voor het bepalen van de rekenrente is dit: de op het peilmoment bestaande financiële realiteit. Deze realiteit kan niet anders worden bepaald dan op basis van feiten en de verwachtingen van een bij uitstek onafhankelijke financiële instelling als DNB.

Verzekeraars betalen slachtoffers jarenlang te weinig - inmiddels is sprake van een negatieve rekenrente

In het vonnis van 09 oktober 2019 is door de rechtbank toegewezen het door de eisende partij gevorderde rekenrentescenario dat kennelijk mede is gebaseerd op het in mijn publicatie gepresenteerde scenario. Spijtig is, dat in het vonnis de kolommen inflatie en rekenrente met elkaar verwisseld zijn. Feit blijft, dat de rechtbank een vonnis heeft gewezen waarbij de in mijn publicatie gepresenteerde methode is gevolgd. Een correcte toepassing van deze methode zou geleid hebben tot vaststelling van een rekenrente vanaf peildatum: in de eerste 20 jaren achtereenvolgens 0% en 0,65% en na 20 jaar:1,3%.

Overigens dient dit rekenrentescenario geactualiseerd te worden. Maandelijks wordt de UFR door DNB herrekend. KPMG publiceert maandelijks de nieuwe rente. Per 30 september 2019 is de UFR gedaald naar 2,2% en de prognose is dat per maart 2021 de UFR is gedaald naar 1,7%. Gegeven de prognose dat op de lange termijn het rendement sterk blijft dalen tot ruim onder 2% én dat op de lange termijn de inflatie rond 2% zal schommelen, moet er van worden uitgegaan dat niet alleen op de korte termijn maar inmiddels ook op de lange termijn sprake zal zijn van een negatieve rekenrente.

Conclusie

Met deze recente uitspraak van de rechtbank is een belangrijke stap gezet in de richting van een zorgvuldige en realistische vaststelling van de rekenrente.

MarjankleinMarjan Vermeulen

Advocaat

E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Telefoon: 024 - 359 77 00